Cultuur in de IJmond, zelfs een solovoorstelling redt je niet in je eentje
Piet Burgering • 21 mei 2017
Het gaat niet goed met de culturele instellingen in Nederland. De bezuinigingen op cultuur door Halbe Zijlstra in het kabinet Rutte I hebben hun tol geëist. Door algemene bezuinigingen is voor gemeenten de vrij beschikbare ruimte in de begroting gering. Daardoor is de subsidie aan culturele instellingen in alle gemeenten in Nederland onder druk komen te staan.
De culturele instellingen in de IJmond hebben het ook moeilijk. In Velsen staat het Witte Theater (weer) op het punt te verdwijnen, de Stadsschouwburg lijdt al jaren verlies. Het Kennemertheater in Beverwijk is al langer een zorgenkindje en in Heemskerk weet de Culturele Cirkel maar geen vaste plek voor zichzelf te vinden. Daarbij komt nog dat Openbare Bibliotheken het moeilijk hebben in hun zoektocht naar een nieuwe vorm. En de Kunstencentra en muziekscholen ook zichzelf opnieuw moeten uitvinden. De inwoner van de IJmond gemeente dreigt in een culturele woestijn terecht te komen.
Natuurlijk ligt de kort door de bocht 'oplossing' voor het grijpen: gewoon heel veel geld erbij. Maar dat gaat nogal een aanslag worden op het gemeente geld. Want ook scholen, zorg, wegen, groen, afval en alle andere gemeentelijke taken vechten om de laatste Eurocent. Bovendien is het de vraag of geld de oplossing is. De drie IJmond gemeenten zijn individueel eigenlijk te klein om een goede culturele infrastructuur overeind te houden. Een theater in Heemskerk of Beverwijk zal het altijd 'net niet' zijn. Te klein voor het culturele tafellaken de kosten te hoog om alleen te dragen.
Nu is er wel een bijkomend probleem, een culturele podiumvoorziening is voor elke gemeente een prachtig prestige object. Met een theater kun je voor de dag komen als gemeente, met een schouwburg stel je echt iets voor. En dus doet elke gemeente zijn best om de eigen podium voorziening met kunst en vliegwerk, plakband en vrijwilligers overeind te houden. Al gaat dat natuurlijk echt niet meer.
De culturele instellingen in de IJmond hebben het ook moeilijk. In Velsen staat het Witte Theater (weer) op het punt te verdwijnen, de Stadsschouwburg lijdt al jaren verlies. Het Kennemertheater in Beverwijk is al langer een zorgenkindje en in Heemskerk weet de Culturele Cirkel maar geen vaste plek voor zichzelf te vinden. Daarbij komt nog dat Openbare Bibliotheken het moeilijk hebben in hun zoektocht naar een nieuwe vorm. En de Kunstencentra en muziekscholen ook zichzelf opnieuw moeten uitvinden. De inwoner van de IJmond gemeente dreigt in een culturele woestijn terecht te komen.
Natuurlijk ligt de kort door de bocht 'oplossing' voor het grijpen: gewoon heel veel geld erbij. Maar dat gaat nogal een aanslag worden op het gemeente geld. Want ook scholen, zorg, wegen, groen, afval en alle andere gemeentelijke taken vechten om de laatste Eurocent. Bovendien is het de vraag of geld de oplossing is. De drie IJmond gemeenten zijn individueel eigenlijk te klein om een goede culturele infrastructuur overeind te houden. Een theater in Heemskerk of Beverwijk zal het altijd 'net niet' zijn. Te klein voor het culturele tafellaken de kosten te hoog om alleen te dragen.
Nu is er wel een bijkomend probleem, een culturele podiumvoorziening is voor elke gemeente een prachtig prestige object. Met een theater kun je voor de dag komen als gemeente, met een schouwburg stel je echt iets voor. En dus doet elke gemeente zijn best om de eigen podium voorziening met kunst en vliegwerk, plakband en vrijwilligers overeind te houden. Al gaat dat natuurlijk echt niet meer.
De IJmond heeft een zo'n 150.000 inwoners. Groot genoeg voor een prima culturele infrastructuur zou je zeggen. Maar dan moet elke gemeente wel echt over de eigen schaduw heen stappen. Vergeet het prestige van het 'eigen' theater, kijk hoe de voorziening in de IJmond er voor de inwoners uit zou kunnen zien. Maak één cultuurnota, maak één subsidiebeleid, maar belangrijker maak één gezamenlijke infrastructuur in de IJmond. Zorg dat de inwoners van de IJmond over prima culturele voorzieningen kunnen beschikken en niet alleen over 'eigen' prestige projecten per gemeente.
22 mei 2017

Laat ik beginnen met te stellen dat ik het gedoe rond de documentaire van Sigrid Kaag wat mij betreft terecht is. Het laat politiek zien van de kant waar het eigenlijk niet over zou moeten gaan. Het laat zien dat het teveel over de vorm gaat het veel te weinig over de inhoud. Dat is niet sterk. Zeker niet als je authentiek leiderschap en nieuwe politieke ideeën wil laten zien. Als je aandacht als campagneleider (of voorlichter) dan gaat naar het wel of niet dragen van een autogordel, heb je blijkbaar weinig focus op de inhoud van de boodschap. De voorlichter/campagneleider/spindoctor is meer bezig met de angst voor ophef dan het versterken van de boodschap. De beeldvorming krijgt weer meer prioriteit dan de politieke boodschap. Ik zie dat dit bij alle politieke partijen aan de hand is. Zeker ook bij mijn partij (D66). Teveel gladde mannen in consultancy blauwe pakken met bruine schoenen die enorm bezig zijn met vorm en beeldvorming en de inhoud vergeten. Aan de andere kant zie ik ook hypocrisie. Journalisten die roepen dat Kaaggate een schande is. Terwijl iedereen in Den Haag en daarbuiten weet hoe de symbiose tussen politiek en media werkt. Als er redacties zijn (publiek of commercieel) die beweren dat ze nooit hebben voldaan aan het verzoek van een politicus om aan een talkshowtafel aan te schuiven, maar alleen als meneer of mevrouw Y niet ook aan tafel zit. Als een journalist wil beweren dat bij een interview met een wethouder nooit ‘de voorlichter er even bij is blijven zitten om mee te luisteren’, dan klopt dat natuurlijk niet. Of hoe vaak zegt een communicatieadviseur dat hij ‘graag wil meedenken over de tekst in de krant’. Of zijn er serieus journalisten die denken dat het lekken van die documenten uit pure dankbaarheid en zonder enige bijbedoeling is. Datzelfde geldt natuurlijk voor politici van links tot rechts. Beweren ze heus nooit een oneliner te hebben bedacht voor de krant? Vertellen ze nu heus dat een hele fractie hetzelfde ‘woordvoeringslijntje’ ineens spontaan aan het opzeggen is. Iedere politicus weet hoe laat de speech van de politiekleider op het congres moet beginnen om nog ‘mee te kunnen’ in het journaal. Politiek en media houden elkaar in beeldvormingswurggreep. De nadruk op beeldvorming wordt steeds elke keer weer belangrijker. De gevolgen daarvan zijn ernstig. De angst voor ophef en slechte kritieken maakt dat de nadruk nog meer op controle van de beeldvorming komt te liggen. Uiteindelijk moet de politiek natuurlijk weer weg van de beeldvorming en terug naar de inhoud. Dan maar een keer een politicus met zweetplekken onder de arm in beeld. Dan maar een keer een aankomend partijleider zonder autogordel in de auto. Geef nou maar ruimte aan wat hij of zij te zeggen heeft, waar hij of zij met dit land naar toe wil. Want daar gaat politiek uiteindelijk over.
In afvalland is luierrecycling al een tijdje een graal, een bijna heilige graal. In Nederland willen we minder restafval verbranden en luiers maken ruim 5% uit van het restafval, dus dat is makkelijk scoren. En iedereen uit de afvalbranche weet dan te vertellen dat er ‘vroeger wel verwerking van luiers was, maar dat bedrijf ging failliet’. Nu zijn we dus weer op zoek naar een oplossing voor de luiers. Maar misschien even bij het begin beginnen. Vroeger gebruikte iedereen katoenen luiers, in films kom je het nog wel tegen. Die witte grote lappen met veiligheidsspelden vast gemaakt die na dienst te hebben gedaan schoongemaakt en gewassen moesten worden om weer opnieuw gebruikt te kunnen worden. Wel duurzaam, maar ook gewoon een vies werkje. Dat moet de fabrikanten van toilet- en hygiëneproducten niet zijn ontgaan. Bovendien willen jonge ouders alleen maar het beste voor hun kleine prins of prinses, dus het mag ook best wat kosten. En daar kwam de wegwerpluier of, zoals iedereen hem inmiddels kent de ‘Pamper’. Een enorm succesvol product dat werkelijk in gigantische hoeveelheden over de toonbank gaat. Maar al die verkochte luiers gaan, na vol geplast en gepoept te zijn ook allemaal de afvalbak in. Per luier dragend kind gaat er maar liefst 22 Kg per maand (!) aan luiers de container in en daarna de verbrandingsoven. Met het oog op het circulair maken van onze economie, een betere grondstof efficiëntie is het dus zeker de moeite waard om iets met die luiers te doen. Wat zou er meer voor de hand liggen om de Ladder van Lansink erbij te pakken en aan de slag te gaan met preventie en hergebruik. Een logische stap want het voorkomen van 22 Kg afval per maand gedurende bijna drie jaar per kind, dat scheelt echt een berg afval. En er zijn ook prima wasbare luiers die in niets meer lijken op de oude katoenen luiers met veiligheidsspelden. Wasbare luiers die makkelijk in gebruik zijn, het kind eerder zindelijk maken, goedkoper zijn en tenslotte veel beter voor het milieu. Er is eigenlijk maar 1 klein probleem; achter deze wasbare luiers zit niet het enorme marketing apparaat van bijvoorbeeld Procter & Gamble, het bedrijf van de Pampers. Misschien net zo belangrijk, we hebben in afvalland onze mond wel vol van de Ladder van Lansink, maar eigenlijk verzinnen we veel liever ‘end of pipe’ oplossingen. En dus gingen de techneuten aan de slag om de luiers te gaan recyclen. Een duur systeem waarbij met veel druk en hoge temperaturen de superabsorberende kunststofkorrels weer worden omgezet in plastic granulaat. Van dat granulaat kunnen dan weer ‘hoogwaardige’ producten zoals bermpaaltjes worden gemaakt. Tot mijn verbazing staat de hele afvalbranche daarbij te juichen en te klappen. Maar deze recycling is natuurlijk helemaal niet om te juichen. Eerlijk gezegd laten we onszelf een beetje poep in de ogen smeren. We vergeten als afvalbranche stelselmatig dat preventie en hergebruik de eerste stappen zijn naar een circulaire economie. We gaan als branche (en als politiek) zo diep door de knieën voor producenten en gemaksconsumenten dat we onze echte taak vergeten. Hoog tijd dat ook de afvalbranche gaat zien dat wat je als poep erin stopt er niet als parel uitkomt. Willen we echt een belangrijk onderdeel zijn van de circulaire economie dan zullen we moeten stoppen met die end of pipe techniekjes.

Het moet ongeveer 10 jaar geleden zijn dat ik mij voornam om nooit mee te doen aan de Zwarte Pieten discussie in dit land. Vanaf dag 1 was duidelijk dat het geen discussie zou worden, maar een schreeuwpartij vanuit de loopgraven. En een schreeuwpartij is het geworden en nog wel erger ook. Niet het soort discussie waar ik bij betrokken wil zijn. Maar eind juni 2020 was het ook voor mij helaas onmogelijk om de Zwarte Pieten discussie te ontwijken. Twee partijen in de raad van Heemskerk dienden een motie in over Zwarte Piet en hoe de gemeente Heemskerk hiermee om zou moeten gaan. De motie riep (onder andere) op om in gesprek te gaan met organisatoren van de Sinterklaas intocht in Heemskerk. Wat volgde was een raadsvergadering die de boeken in kan als een vergadering die ik niet wil terugzien en die ik nooit meer wil meemaken. Want als de motie vroeg om ‘met elkaar in gesprek te gaan’, dan was de uitwerking bij indieners en bij tegenstanders het volstrekt omgekeerde. Een harde confrontatie, stemverheffing en persoonlijke aanvallen waren het gevolg. Binnen de eigen D66 fractie hadden we afgesproken dat we individueel zouden kiezen of we voor of tegen zouden stemmen. Net als de landelijke Zwarte Piet discussie was het ook in Heemskerk een geschreeuw vanuit de loopgraven. Geen van beide kampen was geïnteresseerd in de andere partij. Geen van beide kampen had het empathisch vermogen om zich in een ander te verplaatsen. Want, misschien bedoel ik het niet racistisch maar ervaart iemand Zwarte Piet wel als racistisch. Of misschien wil jij dat de kleur van Zwarte Piet onmiddellijk aangepast wordt, maar heeft een ander daar gewoon wat tijd voor nodig om aan te wennen. En in een debat is het heel simpel, als iedereen alleen maar vasthoudt aan het eigen gelijk zijn er aan het eind alleen maar verliezers. En zo gebeurde het dat een motie die opriep om met elkaar in gesprek te gaan werd verworpen. Dit ondanks dat de gehele D66 fractie voor de motie stemde. Normaal zou hier het verhaal eindigen. Ware het niet dat op social media de discussie (lees het geschreeuw uit de loopgraven) nog door bleef gaan. Maar, zoals zo vaak in deze ‘discussie’ waren woorden niet genoeg. Op zaterdagochtend 11 juli bleek het Gemeentehuis van Heemskerk beklad met verf en de tekst: ‘Zwarte Piet niet welkom in Heemskerk’ #BLM. Voorop staat wat mij betreft dat vernieling of geweld je buiten elke discussie plaatst. Ook dit soort bekladding plaatst je buiten elke discussie. Wat mij betreft werd de situatie nog wat erger toen een bestuurslid van de lokale GroenLinks afdeling (zonder zich als zodanig bekend te maken) zei dat ze wel begreep dat het tot dit soort acties kwam “omdat de raad niet in gesprek wilde” en dat dit kwam omdat de coalitie hier tegen had gestemd. Door deze uitspraak zorgt natuurlijk alleen maar voor meer polarisatie, meer geschreeuw over het eigen gelijk. Want laat het duidelijk zijn, in coalitie en oppositie werd verdeeld gestemd. Als je als partij oproept om het gesprek aan te gaan, moet je dat ook in zelf praktijk brengen. Laten we in Heemskerk een discussie voeren op inhoud, met respect voor elkaar en, misschien nog wel belangrijk met oog voor elkaars standpunten. Want je hebt niet genoeg aan je eigen gelijk.
Meestal ben ik meer nieuwsgierig dan boos. Bij mij komen eerder de vragen dan het schuimbekken. Ook in tijden van corona. Maar laat ik beginnen met iets waar ik wel wat van afweet: afval. Dan kom ik vanzelf bij de corona. Al zo lang als ik in het afval werk en in elke gemeente waar ik met afvalbeleid bezig ben komt het ter sprake: bijplaatsingen en dumpingen. De grote ergernis van iedereen; afvalzakken naast de ondergrondse containers, een hele huisraad zomaar op straat neergegooid. Als eerste oplossing is dan altijd weer de roep om communicatie! Zet het in de lokale krant, hang berichten op in de flat hoe het wel moet, laat het vertellen door de woningbouwcorporatie. En natuurlijk “keihard handhaven!” Het heeft allemaal niet zo veel effect. Dus huurden de afvalbranche gedragswetenschappers in. Nu hebben we ‘tuintjes’ rond containers, borden met spiedende ogen bij de bekende dumpplekken en nog veel meer soorten ‘nudging’. Soms werkt het heel even. Maar een paar maanden later ligt de rommel weer op straat. We zijn blijkbaar niet in staat om met, een deel, van de inwoners zo te communiceren dat het gewenste doel bereikt wordt. Echt heel bijzonder is het gewenste doel nou ook weer niet, iedereen zal het begrijpen, gewoon een schone straat, een schone buurt. Aan dit blijkbaar/schijnbaar onoplosbare probleem moest ik denken toen ik hoorde hoe vreselijk druk het was op de stranden, in de bossen en de doe-het-zelf zaken en bij de milieustraten het afgelopen weekend. Om de coronacrisis beheersbaar te maken waren ingrijpende maatregelen afgekondigd. Horeca dicht, scholen dicht, thuiswerken, zoveel mogelijk thuisblijven en: 1,5 meter afstand houden! Dat geheel was gepaard gegaan met een spervuur aan communicatie. Een ‘campagne’ waarvoor de premier en zelfs de Koning werden ingezet. Het was onmogelijk dat de boodschap je ontgaan zou zijn. En ook hier is het gewenste doel glashelder: samen tegen het coronavirus. En dan wordt het weekend en zonnig en gaat iedereen toch op pad. Het wordt zo druk dat de stranden moeten worden afgezet en er een oproep is om “uit de bossen weg te gaan”. Op social media gaan foto’s rond van volle bootcamplessen en drukbezochte parken. En net als bij afvaldumpingen staan ook de social media vol met boze reacties. Net zo hard als de ‘dumpers’ moeten worden gestraft moeten volgens velen ook deze ‘coronazondaars’ worden aangepakt. Maar, zoals ik zei, ik ben eerder nieuwsgierig dan boos. Dus ik ben oprecht gefascineerd door het feit dat twee volkomen logische, heldere en begrijpelijke boodschappen, niet dumpen en houd 1,5 meter afstand, niet het gewenste resultaat hebben. Hoe kan het dat we dit soort boodschappen niet voldoende over het voetlicht krijgen, waarom lappen zoveel mensen het gewenste gedrag zo nadrukkelijk aan hun laars. Welke boodschap moeten we vertellen om wel effect te hebben? Moet de boodschap anders geformuleerd? Zo zijn er dus weer meer vragen dan antwoorden. En ik zou het leuk vinden om daar eens met jullie van gedachten over te wisselen. Gewoon om eens te kijken of we dichter bij oplossingen kunnen komen. En omdat we de komende weken nog wel binnen zitten hebben we er misschien wel tijd voor.
Niemand heeft ooit gezegd dat het makkelijk zou worden, de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. Want, laten we eerlijk zijn, de lineaire economie is gewoon super makkelijk. Iemand moet de grondstoffen winnen (maakt mij niet uit hoe ze dat doen), iemand moet een product maken (maakt mij niet uit hoe ze dat doen), iemand moet het product transporteren (maakt mij niet uit hoe ze dat doen), iemand moet het product verkopen (maakt mij niets uit, als het maar goedkoop is). Dan wil ik het product gebruiken en het afval moet ik kwijt (maakt mij niet uit hoe ze het komen halen als het maar geen moeite kost) en het afval moet verwerkt (maakt mij niet uit hoe ze dat doen, de fik erin klinkt als een plan). De lineaire economie is dus vooral ‘gooi het probleem over de schutting’. De circulaire economie stelt veel meer eisen aan de samenwerking binnen de hele keten. Omdat de uiteinden van de keten met elkaar verbonden moeten zijn kan het probleem niet meer zomaar over de schutting worden gegooid. Het oude product is immers de grondstof voor het weer nieuw te maken product. Bij het ontwerp van het product moet dus al worden nagedacht over alle volgende stappen in de keten. Er zijn steeds meer producenten die circulaire principes willen toepassen op de producten die ze maken. Kijk bijvoorbeeld eens naar de koffiebekertjes voor op kantoor. Steeds meer van deze bekertjes zijn ‘biobased’ of ‘composteerbaar’. In de media bleek deze week dat wat circulair lijkt dat lang niet altijd circulair is. In een uitzending van De Monitor bleken 85 miljoen bekertjes niet gerecycled te worden tot toiletpapier. Of de ‘composteerbare’ frietbakjes die gewoon in de afvaloven worden verbrand. Met dat soort publiciteit zakt de moed je in de circulaire schoenen. Natuurlijk kun je boos worden op de marketeers die een groen logo misbruiken om extra geld te verdienen. Maar laten we ook eens kijken wat er is te verbeteren. Wat vooral opvalt is dat de producten geen rekening houden met de rest van de keten. De koffiebekertjes van de Rijksoverheid blijken te vuil te zijn om te recyclen. De gebruikers proppen de bekertjes vol met klokhuizen en etensresten, suikerzakjes en roerstokjes waardoor recycling niet meer mogelijk is. De ‘composteerbare’ frietbakjes blijken veel langer nodig te hebben om te composteren dan het GFT wat bij u en bij mij uit huis komt. Het frietbakje moet dus toch gewoon bij het restafval. Dus zou je heel boos kunnen worden, op de marketeers die aan greenwashing doen, op verkopers van frietbakjes met valse beloften, op afvalinzamelaars die vervuilde bekertjes niet laten recyclen maar wegmoffelen in de afvalverbrandingsoven. Maar misschien is het beter om lessen te trekken. Bijvoorbeeld de les dat in een circulaire economie al bij het ontwerpen en maken van een product naar de hele keten gekeken moet worden. Hoe gaan gebruikers om met een product, wat zijn de eisen bij verwerking. Kortom, voor succesvolle circulaire producten moet de hele keten van ontwerpers, producenten, inzamelaars en verwerkers met elkaar om de tafel. Dat komt goed uit, want we zijn ook samen verantwoordelijk voor deze planeet. #DeMonitor #afval #CE
Het grote voordeel en het grote nadeel van social media is dat ze alles voor je onthouden. Zo wist Twitter mij afgelopen november te vertellen dat ik al 10 jaar mee kwetter in hun tijdlijn. In alle eerlijkheid raakte ik destijds al snel gehecht aan het maken (relevante) taalhandigheden in, toen nog, 140 karakters. Het leek me al snel handig om te twitteren tijdens de verkiezingscampagnes waar ik bij betrokken was. En ik kon mijn taalgevoel lekker aanscherpen, want met 140 tekens moet je goed nadenken over je tekst. De eerste jaren maakte ik elke vrijdag rond borreltijd een #VRIJMIBO tweet. Daarmee opende ik het weekend en een biertje. Na een aantal jaren ben ik daar mee gestopt. Alhoewel ik al die jaren gemiddeld 4 tweets per dag verstuur dachten sommigen dat ik alleen maar vrijdagmiddagborrel tweets plaatste. Sowieso was het na een aantal jaren nodig om mijn naïviteit op twitter te laten varen. Was het eerst een medium waar vaak een knipoog de boventoon voerde, later werd het de plek bij uitstek om te polariseren. Groepen twitteraars besteden de hele dag om elkaar te beloeren. Stond er ergens een komma te extreem links, was dat uitroepteken niet extreem rechts. Eén foto van Zwarte Piet (roetveeg of juist niet) en je tijdlijn was weer dagenlang op tilt. Elke dag Twitterdag heeft nu #ophef nodig. Al is de ophef vaak nog voorspelbaarder dan een kerstdiner met teveel drank bij een gebrouilleerde familie. Niet voor niets maakte Marcel Steeman al een handige #ophefkalender. Dan weet je al ongeveer wat je die dag te wachten staat. In alle eerlijkheid valt het geloer en geschreeuw naar elkaar mij moeilijk. Van nature ben ik meer van het relativeren dan van het schuimbekken. En dat is best lastig op een medium waar de (politieke) loopgraven dieper worden en het geschut waarmee opponenten elkaar bestoken zwaarder. Er is in die 10 jaar veel meer negativisme gekomen op deze toch zo leuke plek. Natuurlijk heb ik ook verder gekeken, maar Facebook is mij toch echt te suf en ik ben gewoon niet aantrekkelijk genoeg om elke dag een foto van mijzelf op Instagram te posten. En de beperking van die 280 tekens is gewoon ook heel leuk. Bovendien ontdekte ik een tijd geleden dat er Twitteraccounts zijn die zich helemaal wijden aan (Zee)Otters. Op naar de volgende 10 jaar.

